De vraag wat iemand een goede minister maakt, is niet zo makkelijk te beantwoorden. Ik durf wel de stelling aan dat je tot het oordeel 'goed' kunt komen, terwijl je grote bezwaren hebt tegen het beleid. Het gaat namelijk om meer dan een oordeel over dat beleid. Bovendien is er een verschil tussen het actuele en het historische oordeel. Het is daarom goed dat ministers soms terugblikken, zoals recentelijk oud-minister van Onderwijs Jo Ritzen deed.1)
De waardering voor ministers wordt uiteraard sterk bepaald door beleidsdaden en politieke standpunten. Een belangrijke factor spelen echter de omstandigheden. Toen Schermerhorn in 1945 aantrad, voorspelde hij dat hij feitelijk in de 'put' sprong. De problemen waar hij en zijn kabinet voor stonden, waren zo groot en lastig, dat voorzien kon worden dat er forse kritiek zou komen; zelfs al beseften velen weldegelijk de omvang van de problemen.
Een minister-president die in een tijd van voorspoed een kabinet leidt of ministers die over groeiende budgettaire middelen beschikken, hebben het aanzienlijk makkelijker dan in een tegengestelde situatie. Bovendien zien we vaak het verschijnsel dat er aanvankelijk wel begrip is voor pijnlijke maatregelen, maar dat dat snel kan afnemen. Het verloop van de coronapandemie liet dat bijvoorbeeld zien.
Van belang is of er een zekere consensus bestaat over het probleem dat een kabinet of minister wil (en moet) gaan aanpakken. In het najaar van 1982 waren de financieel-economische problemen zo hoog op gelopen dat velen begrip konden opbrengen voor ingrijpende maatregelen. Niettemin kwamen er snel heftige protesten van ambtenaren, vakbonden en onderwijspersoneel.
Ritzen laat in zijn memoires zien dat na een langere tijd van bezuinigingen 'de rek' eruit gaat. Overigens zowel bij kiezers als de minister(s) zelf. Aan het einde van diens ambtsperiode liet Ritzens voorganger Wim Deetman in een interview weten dat het wat hem betrof nu wel welletjes was met dat bezuinigen.2) Hij dreigde met opstappen. Ritzen zelf, zo onthult hij in zijn boek, deed dat in 1993 eveneens. Vicepremier, partijleider en minister van Financiën Wim Kok weerhield hem van die stap.
Populariteit moet niet het voornaamste doel van een minister zijn en voor zittende bewindslieden geldt sowieso dat er altijd een deel van de bevolking is dat zijn of haar daden afkeurt. Waardering kan er komen als na verloop van tijd blijkt dat verstandige keuzes zijn gemaakt. De kans dat dit binnen drie of vier jaar - en dus tijdens de kabinetsperiode - gebeurt, is vrij klein. Inhoudelijke afwegingen, meerjarenafspraken en vastliggende uitgaven, vragen over uitvoerbaarheid en haalbaarheid, begrenzing door Europese regels, afspraken in de coalitie, politiek draagvlak: het zijn allemaal aspecten bij het maken van keuzes. Maar leg dat maar eens aan de kiezers uit.
Iedere politicus, maar zeker een minister, heeft te maken met het probleem dat vraagstukken vrijwel altijd veel complexer zijn dan de buitenwereld zich realiseert. Als een minister heeft ingestemd met een bezuinigingstaakstelling dan is vooral zichtbaar dat er zal worden gekort. De afwegingen bij het bepalen waar bezuinigd kan worden zijn vaak minder helder. Ritzen koos tijdens zijn ministerschap nadrukkelijk voor verbetering van de positie van het onderwijzend personeel. Het betekende wel dat elders forser moest worden ingegrepen en het leidde tot spanningen met coalitiegenoot CDA.
Ministers mogen uiteraard worden beoordeeld op hun keuzes en beleidsdaden en (forse) kritiek is toegestaan. Een klein beetje begrip, zelfs als er grote bezwaren zijn, is wel op zijn plaats. Meegewogen moet ook: kent de minister de dossiers goed, weet hij of zij die goed uit te leggen en te verdedigen, draagt het beleid bij aan het oplossen van een/het probleem, staat de minister open voor kritiek en is er bereidheid tot aanpassingen. Maar ook: staat de minister voor het uitgestippelde beleid, ook als er kritiek komt? Dat lijken mij goede criteria om tot een evenwichtiger oordeel te komen.
Dan zou de conclusie wel eens kunnen zijn: ook al ben ik het inhoudelijk oneens, een 'deugniet' is de minister niet.
1) Jo Ritzen, Optimisme als opdracht. Memoires (Boom 2026). Het boek werd besproken in Betrouwbare Bronnen, aflevering 601.
2) Interview met Willem Breedveld, Trouw, 30 april 1988