Weer met reces

Na het traditionele toespraakje, een jolige ‘roast’ door Kamervoorzitter Thom van Campen, is de Tweede Kamer vorige week met zomerreces gegaan. Pas op 1 september komt zij weer plenair bijeen, tenzij er iets tussen komt. De Kamervoorzitter kan immers de leden terugroepen voor een plenaire zitting, soms op verzoek van het kabinet. Kamerleden kunnen ook zelf het initiatief nemen, daartoe is de steun van dertig leden nodig. Ook Kamercommissies kunnen besluiten eerder bijeen te komen. Heel bijzonder zijn die onderbrekingen van kerst-, voorjaars-, mei-, zomer- en herfstrecessen niet.

Gemiddeld genomen onderbrak de Tweede Kamer de afgelopen twintig jaar twee keer per jaar een van de recessen, in de coronaperiode kwam dat wat vaker voor.  Over corona gesproken: de parlementaire enquêtecommissie is nog niet met reces, zij zet haar werkzaamheden deze week nog voort. Ook de Eerste Kamer gaat nog door, maar keert pas 13 september terug. Het is voor de senaat zeer uitzonderlijk om een reces te onderbreken. 

De laatste keer was op 3 augustus 1949 (!) toen de Kamer zich boog over de goedkeuring van de oprichting van de NAVO, het Noord-Atlantisch Verdrag, dat in april van dat jaar in Washington was ondertekend. In januari 2023 kreeg minister van Volksgezondheid Kuipers (D66) nul op het rekest toen hij probeerde de Kamer te bewegen terug te komen van kerstreces om een nieuwe coronawet, de Wet Publieke Gezondheid, met spoed te behandelen.

Ook wat langer geleden moesten Tweede Kamerleden rekening houden met een oproep. Zo werd in het zomerreces van 1983 de Kamer begin juli op initiatief van de PvdA teruggeroepen om te debatteren over de economische steun aan de zwakkere regio’s. Sommige Kamerleden stonden al helemaal in de vakantiestand. Kamerlid Piet Blauw (VVD) uit Nieuwe Pekela had de dag ervoor al naar Italië willen vertrekken maar was spoorslags naar het Binnenhof gereden. ‘Ik heb mijn vrouw in mijn kamer neergezet en mijn auto staat gepakt hier voor de deur’, zei hij tegen een journalist van de Leeuwarder Courant. Een paar uur later kon hij, naar ik hoop met zijn vrouw, alsnog vertrekken.

Nu is de vraag of het niet wat minder kan met al die recessen. De Kamer heeft toch zo veel te doen? Nog in 2019 klaagde Kamervoorzitter Arib over een ontploffende Kameragenda en benadrukte zij bij haar laatste toespraak voor het zomerreces dat Kamerleden ernstig leden onder de hoge werkdruk; sommigen waren zelfs voortijdig gestopt. 

Die werkdruk was in 2023 voor Laurens Dassen (Volt) en Mirjam Bikker (ChristenUnie) mede reden om met een initiatiefnota te komen om de parlementaire last te verkleinen en de effectiviteit te vergroten. De meeste aandacht trok het voorstel de Kamer uit te breiden van 150 naar 250 leden. Over het aantal recesdagen meldde de nota niets.

Dat valt goed te verklaren wanneer je bedenkt dat zo’n reces geen vakantie is en Kamervergaderingen maar een klein deel zijn van het takenpakket. Kamerleden worden immers ook geacht onder meer werkbezoeken in binnen- en buitenland af te leggen, in de media te verschijnen, contacten te onderhouden met belanghebbenden en deskundigen en zich grondig te verdiepen in uiteenlopende beleidsterreinen. Niet in de laatste plaats heeft een Kamerlid aandacht voor zijn kiezers.

Het was om die reden dat de Kamer begin 1993 op verzoek van de regeringsfracties CDA en PvdA juist besloot minder te gaan vergaderen, zodat de leden meer tijd hadden om het land in te gaan. Ondanks de waarschuwing van VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein voor het beeld van een ‘vakantievierende volksvertegenwoordiger’ ging de Kamer het experiment aan. Vergaderd werd er alleen op dinsdag en woensdag, en niet later dan zes uur in de avond. 

De proef liep uit op een mislukking. Het aantal onbehandelde wetsvoorstellen nam schrikbarend toe, terwijl de parlementariërs niet vaker dan voorheen te vinden waren in zaaltjes en buurthuizen. Het midden vinden in de mogelijkheden is nog niet eenvoudig. Misschien biedt het reces kans op bezinning.

Columns