Het Nationaal Archief (NA) heeft de afgelopen weken voor beroering gezorgd met het voornemen zich uitsluitend nog op overheidsarchieven te richten. Archieven die niet door een overheidsinstelling zijn gevormd, zouden daarmee helemaal niet meer worden opgenomen.
Van deze zogenoemde particuliere archieven bezit het NA duizenden meters aan materiaal: van maatschappelijke organisaties en ondernemingen (denk aan de VOC!) tot staatslieden en politici. Thorbecke, Drees, Vondeling, Klompé – het zijn slechts enkele van de grote namen wier papier bij het Nationaal Archief berust. Tant pis voor Rutte, Kaag en Jetten – als het NA bij zijn besluit mag blijven, zien zij hun naam nooit in dat rijtje bijgezet.
Ter verdediging voert het Nationaal Archief aan dat overheidshandelen voldoende te reconstrueren is enkel op basis van de archieven van overheids- en staatsinstellingen. Heel Den Haag weet dat het anders werkt. Elke beleidskeuze is uiteindelijk een politieke keuze, en veelal de uitkomst van een publiek debat. En als dat niet het geval is – en onduidelijk is hoe een besluit zich heeft gevormd – zijn ook daarvoor particuliere archieven van belang. Daar vinden we vaak wat elders ongedocumenteerd is gebleven.
De vereniging van archivarissen wijst erop dat het besluit van het NA op een opmerkelijk moment komt, nu de nieuwe Archiefwet juist erkent dat particuliere archieven ‘van groot belang kunnen zijn voor onderzoek en cultureel erfgoed’.
Volgende week stemt de Tweede Kamer over de motie-Mohandis (Pro), die de kern van de kwestie raakt: ‘het niet langer acquireren van particuliere archieven dreigt te leiden tot lacunes, die de mogelijkheden voor geschiedschrijving, waarheidsvinding en onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen ernstig beperken.’
Om het functioneren van bestuur en politiek in het verleden te kunnen begrijpen, zijn zowel overheids- als particuliere archieven nodig. Waar de overheidsarchieven een afspiegeling zijn van het formele ambtelijke en staatsrechtelijke proces, bieden particuliere archieven inzicht in het ideologische, het ideële en het informele. Niet zelden ligt daar de beslissende verklaring voor de loop der dingen: in de overtuigingen van politici, de persoonlijke afwegingen van de besluitvormers, de politieke intrige, de vriendschap of de onverenigbaarheid van karakters.
Bovendien: in een goed functionerende democratie (en trouwens ook in een minder goed functionerende) is besluitvorming geen geïsoleerd statelijk proces. Het is een levend en een levendig gebeuren, waarop tal van maatschappelijke krachten inwerken: burgers, actiegroepen, politieke partijen, het bedrijfsleven (denk aan Shell, de NAM of KLM), belangenvertegenwoordigers, vakbonden, ngo's, adviesclubs, politici in ruste, wetenschappers en andere experts, vertegenwoordigers van diverse beroepsgroepen, internationale spelers, media, enzovoorts.
Wie macht wil begrijpen – want daar gaat het in essentie om – heeft kortom zowel de institutionele als de particuliere archieven nodig. Kijkt u eens in uw boekenkast: elk serieus te nemen politiek-historisch werk getuigt daarvan.
Teruglopende financiële middelen en de grote uitdagingen ten aanzien van digitale archiefvorming maken dat het Nationaal Archief naar eigen zeggen harde keuzes moet maken. Het is goed te begrijpen dat het NA daarbij zijn wettelijke kerntaak – het beheren en toegankelijk maken van overheidsarchieven – op orde wil krijgen. Maar deze focus getuigt wel van een heel beperkte opvatting van het ‘nationaal archief’ van Nederland. Ze miskent ook de belangrijke rol die het NA heeft te spelen als conservator van ons democratisch erfgoed. Als kabinet en Kamer meegaan met de zienswijze van het NA, dan dringt zich des te dwingender de vraag op: bij wie ligt deze verantwoordelijkheid dan?
De koerswijziging van het Nationaal Archief is nog op een andere manier fundamenteel. Het is opnieuw een voorbeeld van hoe een overheid de ruimte voor kritische reflectie op haar eigen handelen kan verkleinen. Zo werkt democratische erosie: een heel geleidelijke aantasting van instituties die essentieel zijn voor waarheidsvinding en democratische controle, zoals wetenschap en journalistiek. Wanneer deze instituties verzwakken, neemt ook de weerstand tegen desinformatie af. Dat opent de deur voor autoritaire krachten om met propaganda en rookgordijnen hun invloed uit te breiden.
Het loslaten van zorg voor particuliere archieven gaat dan ook niet alleen over toegang tot historische bronnen. Het raakt de kern van onze democratie: het vermogen om de overheid te analyseren, te bevragen, en—indien nodig—ter verantwoording te roepen en lessen te trekken uit haar handelen.
Rutte, Kaag en Jetten zijn welkom met hun archief in Groningen – de archieven van hun politieke partij achterna, die eerder al onderdak vonden bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Maar voordat het zover komt, moeten we misschien toch eerst een gesprek voeren over een brede en diepe overheidsvisie op het behoud van ons democratisch erfgoed.