Mr. L.A. (Leen) Donker vervulde gedurende zijn politieke loopbaan zowel als parlementariër en bewindspersoon een centrale rol bij de behandeling en totstandkoming van wetgeving. Als lid van de Tweede Kamer was hij justitiewoordvoerder van de SDAP- en later de PvdA-fractie. In die hoedanigheid verdedigde hij in januari 1948 namens de parlementaire enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 een initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Enquêtewet. Dit voorstel werd door de Eerste Kamer verworpen met 27 tegen 15 stemmen.
Na zijn aantreden als minister van Justitie in 1952 hield Donker zich zowel beleidsmatig als wetgevend intensief bezig met justitiële en staatsrechtelijke vraagstukken. Beleidsmatig was hij eerstverantwoordelijke voor het op 23 september 1952 verlenen van gratie aan de Duitse oorlogsmisdadiger W.F.P. Lages. Donker motiveerde dit besluit met de overweging dat het doodvonnis reeds twee jaar eerder was uitgesproken en dat verder uitstel in strijd werd geacht met een behoorlijke rechtstoepassing. Hij verdedigde dit besluit op 15 oktober 1952 tijdens de interpellatie-Burger. In de periode 1952-1954 had Donker bovendien een groot aandeel in de totstandkoming van het Statuut van het Koninkrijk. In 1954 diende hij samen met minister Beel een ontwerp-Politiewet in, dat in 1957 door de ministers Struijcken en Samkalden in het Staatsblad werd gebracht.
Op wetgevend terrein diende Donker wetsvoorstellen in voor de eerste vier van de negen boeken van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. In 1955 diende hij wetsvoorstellen in tot herziening van het kinderstrafrecht en het kinderprocesrecht en tot vaststelling van een Beginselwet voor de kinderbescherming; deze wetten werden in 1961 door minister Beerman in het Staatsblad gebracht. Eveneens in 1955 diende hij samen met minister Mansholt een ontwerp-Pachtwet in, die in 1958 door de ministers Samkalden en Vondeling werd gepubliceerd. In datzelfde jaar verdedigde hij in de Tweede Kamer de ontwerp-wet op de Stichtingen, alsmede wetsvoorstellen over de status van vluchtelingen (samen met minister Beyen) en over het gebruik van de Friese taal in het rechtsverkeer. Deze wetten werden in 1956 door zijn opvolger Van Oven in het Staatsblad gebracht.
In 1955 trok Donker een in 1954 ingediend wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in, nadat een amendement-Van Rijckevorsel was aangenomen dat hij onaanvaardbaar achtte. Dit amendement betrof de samenstelling van een permanent college van advies, dat door het amendement in meerderheid uit rechters zou bestaan. In een nieuw voorstel werd dit college geschrapt en werd een taak toebedeeld aan de Vereniging voor Rechtspraak. Bij zijn overlijden waren 21 wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer aanhangig en 25 in voorbereiding.
Als minister bracht Donker een groot aantal wetten tot stand. In 1953 realiseerde hij de Wet voorziening ter wegneming van staatloosheid en een nieuwe regeling van het ontslagrecht, die onder meer voorzag in verlenging van de opzeggingstermijn en betere bescherming tegen onredelijk ontslag. In 1954 volgden wetten over de invoering van een maximumleeftijd voor het notarisambt en de oprichting van een notarieel pensioenfonds, de administratieve rechtspraak en tuchtrechtspraak binnen de bedrijfsorganisatie, en de reorganisatie van de voogdijraden tot raden voor de kinderbescherming. In 1955 bracht hij onder meer de Beroepswet tot stand, waarin de organisatie en procedure van de Centrale Raad van Beroep en de raden van beroep werden geregeld, evenals een wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake de ondertoezichtstelling van kinderen en de Wet op de justitiële documentatie en verklaringen omtrent het gedrag. In 1956 werd onder zijn verantwoordelijkheid de wet ingevoerd waarmee adoptie juridisch mogelijk werd gemaakt en wettelijk werd geregeld.
Bij zijn overlijden waren 21 wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer aanhangig en 25 in voorbereiding.
Meer over: