Voorstander van het orangistische bewind in Brabant, die in 1831 als beloning daarvoor Eerste Kamerlid werd. In die functie gaf hij in 1848 steun aan de Grondwetsherziening. Hij begon zijn bestuurlijke loopbaan in de Bataafse tijd en was geruime tijd bestuurder van Den Bosch, waarvan vijfentwintig jaar als (eerste) burgemeester. In 1817 kozen de Staten van Brabant hem tot Tweede Kamerlid.