Bijna tachtig jaar na de stichting van de staat Israël is de verhouding tot dat land complexer dan ooit tevoren. Het ontstaan van Israël veroorzaakte direct gewapende strijd en het kwam tot vier oorlogen (1948, 1956, 1967 en 1973). Lang behoorde ons land tot de trouwste vrienden van Israël, waarbij op diverse momenten (militaire) steun werd gegeven. Tijdens de Jom Kippoer-oorlog in 1973 zorgde minister Vredeling van Defensie er bijvoorbeeld voor dat Israël in het geheim wapens geleverd kreeg.
Het ongekende leed dat de Joden tijdens de Bezetting was aangedaan en dat als een collectieve schuld werd gevoeld, maar ook de op religieuze gronden gevoelde verbondenheid met het ‘Beloofde Land’ en het 'uitverkoren volk' droegen sterk bij aan dat sentiment. Er was bovendien bewondering voor het 'dappere' Israël, dat een moderne staat opbouwde.1) Het ging daarnaast om een staat die tot ons deel van de wereld – het vrije westen – behoorde en daarom als een verwant land werd gezien.
Na het uitbreken van de (zesdaagse) oorlog in juni 1967 legde premier De Jong in de Tweede Kamer op 6 juni een verklaring af en werd vervolgens een motie-Schmelzer aangenomen. Die motie was door alle fractievoorzitters (van SGP tot PSP) ondertekend. Zij vroeg de regering alle mogelijkheden tot het beëindigen van de oorlog aan te grijpen en om daarna tot een rechtvaardige en duurzame vrede te komen. Die wens zou onvervuld blijven.
Terroristische aanslagen door Palestijnse groeperingen, het lange tijd ontbreken van een acceptabele Palestijnse gesprekspartner in onderhandelingen, maar ook het stichten van nederzettingen in de in 1967 bezette gebieden en sluipende 'annexatie', bemoeilijkten het vredesproces. Een al in 1967 aangenomen Veiligheidsraad-resolutie (242) die Israël vroeg zich terug te trekken uit de bezette gebieden, werd lang genegeerd. Zelfbeschikking en veiligheidsgaranties botsten.
Aan de onverdeelde Nederlandse steun kwam in 1982 een einde, nadat Israël Libanon was binnengevallen en ruimte gaf aan Christen-Falangisten om in de Palestijnse vluchtelingenkampen Saba en Chatilla bloedbaden aan te richten. Vanuit de linkse oppositie werd aangedrongen op opschorting van het EG-Associatieverdrag met Israël en terugroeping van de ambassadeur. Kamerlid Gert Schutte (GPV) citeerde met spijt een journalist die schreef: ”Zulke dingen doet Israël niet.”2) Een echte breuk met Israël betekende het evenwel niet.
Er was bij veel politieke partijen geleidenlijk wel meer begrip voor de Palestijnse kant van de zaak gekomen. Diplomatieke initiatieven om tot vrede te komen, zoals de Oslo-akkoorden, werden gesteund. Vanuit Europa werd al vanaf 1977 ingezet op een tweestatenoplossing. Nadat Israël en PLO in 1994 een akkoord bereikten over het bestuur in de bezette gebieden, kwam er daar een Nederlandse vertegenwoordiging. Voortgaande bouw van nederzettingen, de bouw van een scheidingsmuur (2004), mensenrechtschendingen (bijvoorbeeld detentie zonder proces), maar ook aanslagen en beschietingen op Israël vanuit omliggende gebieden, frustreerden het vredesproces.
Met name het voor de tweestatenoplossing destructieve beleid van de regeringen onder leiding van Netanyahu (met steun van uiterst rechtse partijen), deden de uitzichtloosheid toenemen. De Hamas-misdaden van 7 oktober 2023 lokten op zichzelf begrijpelijke Israëlische vergelding uit, maar de brute wijze waarop Israël die uitvoerde, deed bij velen het beeld kantelen. Dat geldt ook voor het optreden in Libanon. Inmiddels is het niet meer de vraag of Israël 'zulke dingen' doet. Het gebeurde en gebeurt. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging.
De historische band met Israël mag er nog zijn, maar of je, met een land dat zo optrad (en optreedt) als Israël deed en doet, nog wel van een bevriende natie kan spreken, is de vraag. Zonder bereidheid tot (vreedzaam) naast elkaar leven, is het Palestijnse conflict uitzichtloos. Maar bij het uitblijven van erkenning door Israël van het recht op zelfbeschikking, met het schenden van mensenrechten en internationaal recht, en zonder oog te hebben voor humanitaire noden, geldt die uitzichtloosheid evenzeer voor onze verwantschap met Israël.
1) Tussen 1948 en 1952 werden de bezittingen van Palestijnen (gevlucht of 'afwezig') onteigend, werden 250 Arabische dorpen verwoest en werden wetten aangenomen om terugkeer van Palestijnen onmogelijk te maken.
2) Handelingen Tweede Kamer, 14 oktober 1982