Het aantreden van het kabinet-Jetten zorgde voor een opmerkelijke wisseling. De – ook door een deel van de oppositie – gewaardeerde minister Ruben Brekelmans ‘verruilde’ van functie met fractievoorzitter en politiek voorvrouw Dilan Yesilgöz. Nu is het op zichzelf niet zo opmerkelijk dat een bekwaam geachte minister fractievoorzitter wordt, denk aan Melkert, Brinkman en bij de VVD Dijkstal. Vraag is echter welke betekenis aan die wisseling moet worden toegekend.
De VVD had lange tijd dualisme als politiek uitgangspunt, met een strikte scheiding tussen fractie en kabinet. Bij die dualistische houding konden evenwel al lang vraagtekens worden gezet, want zelfs tijdens de kabinetten-Marijnen en -De Jong schoof de fractievoorzitter geregeld aan bij overleg met collega-fractievoorzitters als er een (kabinets)crisis dreigde. En tijdens het eerste kabinet-Van Agt was niet fractievoorzitter Koos Rietkerk, maar vicepremier Hans Wiegel de politiek leider. In 1980 bepaalde hij – en niet de fractie – dat de VVD niet minister van Financiën Frans Andriessen zou volgen in diens aftreden.
Aanwezigheid van de VVD in het kabinet leidde soms tot enige rivaliteit tussen fractievoorzitter en vooraanstaande minister. Daarvan was zeker sprake tijdens het eerste kabinet-Drees, toen fractievoorzitter P.J. Oud botste met VVD-minister van Buitenlandse Zaken (en voormalig partijvoorzitter) Dirk Stikker. Het veroorzaakte in 1951 zelfs een kabinetscrisis. Stikker wist zich echter te handhaven als minister. Hij dwong van Oud af dat het kabinet-Drees kon terugkeren, zij het in enigszins gewijzigde samenstelling.
Tijdens de conjuncturele hoogtijdagen (1959-1973) waren er daarentegen nauwelijks tegenstellingen. Niet tussen Oud en vicepremier Korthals (1959-1963), tussen Toxopeus (later Geertsema) en vicepremier Witteveen (1967-1971) en niet tussen Wiegel en vicepremier Geertsema (1971-1972). Het werd pas weer lastig tijdens het tweede kabinet-Balkenende. Toen was er voor het eerst zelfs sprake van enige ‘concurrentiestrijd’.
Ook toen kwam de vraag op: wie is nu eigenlijk de politiek leider van de VVD: vicepremier Gerrit Zalm of fractievoorzitter Jozias van Aartsen? Dat mondde uit in de wonderlijke term ‘politiek aanvoerder’ die Van Aartsen zich na enige tijd mocht aanmeten. Pas na diens vrijwillige vertrek (na een nederlaag bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006) en een ongekende leiderschapsstrijd tussen Mark Rutte en Rita Verdonk kwam er helderheid. Overigens bleek toen opnieuw dat politiek leiderschap iets is dat van nature moet worden verkregen en niet via een verkiezing. Rutte verwierf dat ‘echte’ leiderschap pas na enige tijd.
Inmiddels is het geveinsde dualisme geheel verlaten, getuige het Torentjesoverleg tijdens de kabinetten-Lubbers en het maandagse coalitieberaad onder Rutte. Bij het kabinet-Schoof waren het zelfs de fractievoorzitters die de lijnen van het kabinetsbeleid uitzetten. De vraag: 'wie is de politiek leider?' zou de kop weer kunnen opsteken.
Vraag is of met de wisseling tussen Brekelmans en Yesilgöz opnieuw een concurrentiestrijd uitbreekt. Dat de lijstaanvoerder naar het kabinet is gegaan, kan duiden op vertrouwen in haar als politiek leider. Het tegendeel is evenzeer denkbaar. Het kan de opmaat zijn naar wisseling van leiderschap, waarbij Brekelmans de nieuwe leider wordt. Aan Yesilgöz kleven immers zowel verkiezingsnederlagen als ‘kwesties’ (nareis op nareis, Douwe Bob). Het was Brekelmans die als enige prominent tijdens de verkiezingsstrijd een opening leek te maken naar GroenLinks-PvdA (al trok hij dat snel weer in)1). Een wisseling zou verhoudingen zowel intern en extern kunnen veranderen.
Voor het succes van het kabinet-Jetten zou dat wel eens van beslissende invloed kunnen blijken te zijn.