Bossche rechtbankpresident en KVP-senator, die in 1948 minister van Justitie werd in het kabinet-Drees I. Bereidde in die functie belangrijke wetgeving voor, maar kon die voorstellen niet als wet in het Staatsblad brengen, omdat hij vanwege oververmoeidheid voortijdig moest aftreden. Had door zijn bereidheid om zaken te doen met de Kamer en door zijn gemoedelijkheid een goede naam in de Tweede Kamer. Keerde na zijn aftreden terug naar de rechterlijke macht en was nog enkele maanden Eerste Kamerlid.