Afwijken, hoe ver kun je gaan?

14 maart 2025, column Bert van den Braak

Dat partijen die deel uitmaken van een coalitie niet over alles hetzelfde denken, is logisch. Er is ook altijd een zekere ruimte om afwijkend te stemmen. Waar 'de grens' precies ligt, voordat het tot een botsing komt, is minder helder. Allereerst is uiteraard van belang dat er, ondanks tegenstellingen, toch een Kamermeerderheid is die steun geeft aan de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid. Zonder die steun is het kabinet 'weg'.

De tegenstem van PVV en BBB tegen een motie-Yesilgöz over het toezeggen van € 3,5 miljard aan militaire steun voor Oekraïne, was voor diverse oppositiefracties (onder andere GroenLinks-PvdA, D66, Volt en CDA) geen reden om het kabinet een nederlaag toe te brengen door ook tegen te stemmen. Oppositiepartijen zijn ongetwijfeld uiteindelijk uit op de val van een kabinet, maar niet zonder dat afwegen tegen andere belangen. In dat geval de onverminderde steun aan Oekraïne. En het kabinet kon met de verdeeldheid in de coalitie leven.

Anders ligt het bij de aangenomen motie-Eerdmans over afwijzing van de financiering van de Europese herbewapeningsplannen. Hierbij was de stem van de oppositie niet beslissend, omdat PVV, NSC en BBB voorstemden. De vraag is gerechtvaardigd of daarmee geen afkeuring werd uitgesproken over een essentieel onderdeel van het kabinetsbeleid. In de ministerraad van 7 maart stemde het gehele kabinet in met de door premier Schoof uitgesproken steun voor het voorstel-Von der Leyen. De Kamer wees dit via de motie-Eerdmans in meerderheid af. Alleen door niet het onaanvaardbaar uit te spreken, waren er geen consequenties voor het kabinet.

Het bekendste voorbeeld van een aangenomen motie tegen een essentieel onderdeel van het regeringsbeleid was de motie-Schmelzer in 1966. Strikt genomen was ook dat geen motie van afkeuring, maar het kabinet-Cals i interpreteerde die wel als zodanig. Aanneming leidde tot de val. Veel minder essentieel was de afkeuring door de VVD in 1989 van het kabinetsvoorstel (Lubbers II i) om het reiskostenforfait af te schaffen. Die afkeuring was onaanvaardbaar voor het kabinet en het kwam tot een breuk (zonder stemming overigens). Het is steeds aan een kabinet om de afweging te maken. Het gaat zowel om geloofwaardigheid als de mogelijkheid om effectief te regeren.

Er zijn in de parlementaire geschiedenis legio voorbeelden van regeringsfracties die tegen regeringsbeleid stemden, zonder dat dit gevolgen had. Soms kon de stem van een regeringsfractie toch wel worden gemist, omdat de andere coalitiepartners samen nog steeds over een meerderheid beschikten, en soms zorgde steun van enkele oppositiefracties voor die meerderheid.1) Hechtere regeerakkoorden zorgden wel voor minder van dit soort 'verstoringen', maar zelfs onder de kabinetten-Lubbers kwamen ze voor. Zo stemde het CDA in 1991 tegen het wetsvoorstel van het kabinet-Lubbers III i om landelijk commerciële omroepen in te voeren. Tijdens de Paarse kabinetten (1994-2002) stemde de VVD bijvoorbeeld tegen invoering van belasting op milieugrondslag.2) Een opvallende tegenstem was er verder tijdens Balkenende II i (2003-2006), toen D66 tegen de Wet op de kinderopvang stemde. In 2016 wees regeringsfractie PvdA het opzeggen van het verdrag met Marokko over sociale zekerheid af.

Het kon allemaal, zo blijkt uit het feit dat er geen politieke consequenties aan werden verbonden. Soms was er een 'agreement to disagree'. En niet onbelangrijk: er was, ondanks die tegenstem, toch steeds een meerderheid voor het kabinetsbeleid. Het wordt anders als dat niet het geval is, want dan wordt regeren wel erg lastig.

Als coalitiefracties geregeld tegen het kabinetsbeleid stemmen, zoals PVV en BBB (en nu dus ook NSC) deden en misschien vaker gaan doen (klimaatbeleid, stikstof, cellentekort) dan dringt de vraag zich op of het kabinet (en de minister-president) dat kan accepteren zonder ongeloofwaardig te worden. Waar de grens precies ligt, moet blijken, Die nadert echter met rasse schreden.




Andere recente columns